Column Ruth: Zegening

07-07-2020

Al jaren begeleid ik een gezin met een slechthorend kind in het hartje van Amsterdam. Alle kinderen zijn bijzonder, maar dit kind heeft nog wel wat extra’s: een hele lijst aan zichtbare en onzichtbare problemen, waardoor het altijd afhankelijk zal zijn van medische apparatuur. Ook zal het kind er altijd anders uitzien dan andere kinderen.

Niets ging vanzelf bij dit kindje. Het begon al bij de conceptie: het wilde maar niet lukken, alle adviezen van de wederzijdse ouders uit het vaderland van de ouders ten spijt. Maar hier in Nederland heb je IVF. Best een heftig traject, zeker voor ouders die zonder tolk nergens zijn in de communicatie. De laatste IVF-poging was raak en na een prima zwangerschap werd dit kind geboren.

Even later kwam er een leger van artsen en hulpverleners hun leven binnengemarcheerd, om voor altijd op stugge, leren laarzen met dit kind en gezin mee te blijven lopen. Alles hebben de ouders uit de kast gehaald om dit kind groot te krijgen: moeder sleepte haar kind mee van tandarts naar audioloog, en van maag-darm-leverarts naar fysiotherapeut. Vader was altijd aan het werk, een waar slachtoffer van allerlei schimmige arbeidscontracten die het daglicht niet konden verdragen. De keren dat hij erbij was tijdens huisbezoeken zijn op één hand te tellen. En die keren viel hij na een paar minuten uitgeput tegen de verwarming op de grond in slaap.

Maar ook dit kind werd groot. Moeder had al die tijd alles met me gedeeld, maar tegen het einde van de begeleiding kwam er nog een ander onderwerp bij: hun verlangen naar een tweede kind. Een IVF-behandeling was überhaupt al “duivels” geweest voor de vorige generatie mensen met hun culturele achtergrond, maar ook deze moderne ouders durfden een tweede IVF-traject niet aan. Want hoewel het leger van artsen hen had verzekerd dat de chromosoomafwijking van hun oudste niet het gevolg was van de IVF, het risico dat het toch een soort straf was van één van de goden van hun cultuur, zoals de grootouders hen voorhielden, was ze te groot.

Maar wat was het dubbel voor ze: zij voelden het bestaan van hun kind niet als een straf. Ze hielden intens van hun kind, zoals het was geboren. Of bewees het feit dat ze verlangden naar een tweede kind, dat dan wel gezond zou zijn, toch het tegendeel? Tijdens het allerlaatste huisbezoek leken de ouders verlost van hun twijfel over de loyaliteit jegens hun oudste. Moeder was zwanger, zonder IVF. We namen afscheid van elkaar en ik beloofde dat ik nog een keer langs zou komen na de geboorte van de baby.

Ruim een half jaar later sta ik weer op de stoep. De nieuwe baby blijkt nog geen week oud en de kraamverzorgster laat me binnen. Ik krijg een prachtig jongetje in m’n armen, met stralend zwarte ogen en zwart haar. Al snel gaat het gesprek over waar we een half jaar eerder mee geëindigd waren: hoe is het om een gezond kind te hebben na de eerste? De hele wereld lijkt te vinden dat het een zegen is om nu ook een gezond jongetje zoals hun zoontje te hebben: de artsen, de kraamverzorgster, de grootouders. De moeder zucht: ‘De oudste had op deze leeftijd al de tweede operatie achter de rug en nu heb ik nog geen arts gezien. Dàt is wel heerlijk!’ Maar, zo benadrukt ze, ze voelen zich niet gezegend door hun gezonde tweede kind, maar juist met het prachtige gezin dat ze nu hebben. Met beide kinderen, zoals ze zijn.


Reacties

Er is 1 reactie Bekijk

Uri de Leeuw

Een trieste realiteit die toch een sterke inspiratie verschaft om dit verhaal te vertellen.
Het verhaal zelf wordt op een boeiende en tevens zeer aangrijpende, meelevende manier verteld; daarbij komt nog een einde dat nogal een veelbetekenende “happy end” is — wel een zo’n positieve toon, ten aanzien van wat ook als zeer ellendig gevoeld kon worden.

Beantwoord

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Gerelateerde artikelen